Paulus schrijft in zijn brief aan de Romeinen: “Wat moeten wij hier verder over zeggen? Als God voor ons is, wie kan dan tegen ons zijn? Zal hij, die zijn eigen Zoon niet heeft gespaard, maar hem omwille van ons allen heeft prijsgegeven, ons met hem niet alles schenken? Wie zal Gods uitverkorenen aanklagen? God zelf spreekt hen vrij. Wie zal hen veroordelen? Christus Jezus, die gestorven is, meer nog, die is opgewekt en aan de rechterhand van God zit, pleit voor ons. Wat zal ons scheiden van de liefde van Christus? Tegenspoed, ellende of vervolging, honger of armoede, gevaar of het zwaard? Er staat geschreven: ‘Om u worden wij dag na dag gedood en afgevoerd als schapen voor de slacht.’  Maar wij zegevieren in dit alles glansrijk dankzij hem die ons heeft liefgehad. Ik ben ervan overtuigd dat dood noch leven, engelen noch machten noch krachten, heden noch toekomst, hoogte noch diepte, of wat er ook maar in de schepping is, ons zal kunnen scheiden van de liefde van God, die hij ons gegeven heeft in Christus Jezus, onze Heer.” (NBV Romeinen 8:31-39)

Niets zal ons scheiden van de liefde van God. Daarvan is Paulus overtuigd. We horen daarin dat een mensenleven belangrijk is. Elk leven. Ongeacht de hoogten en diepten die er (geweest) zijn. Wij zijn in Christus ten diepste aanvaard. Hoe dan ook. Wie zal dan een mens (ver-)oordelen? Dit is een tekst die vaak klinkt als we terugkijken op de betekenis van iemands leven. Al dan niet in het teken van een overlijden. Maar in de context waarin Paulus dit schrijft is de urgentie waarschijnlijk veel groter dan in de tijden waarin wij nu leven. Er is sprake van ontbering en vervolging. En juist dan is het troostrijk om te beseffen dat je leven geheel omvat is in de liefde van Christus. Er worden geen grote woorden gesproken over een onkenbaar hiernamaals of iets dergelijks. Dat lijkt te mager in het licht van deze liefde van God. Leven gaat over een gaandeweg leren leven in het licht van deze liefde van God die in Christus Jezus tot uitdrukking gekomen is. Jezus zegt in Johannes 15:13: ‘Er is geen grotere liefde dan je leven te geven voor je vrienden.’ Geloven is lang niet altijd makkelijk. Paulus weet er alles van. Paulus’ onvermogen is doorbroken in de liefde van God. Een liefde die letterlijk als een bliksemflits op zijn pad kwam; en dat was geen verdienste. Hij is er zo vol van dat hij het ons steeds maar weer vertelt. God komt ons in ons onvermogen tegemoet. Zelfs als we tot in de uiterste hoeken van het bestaan proberen weg te vluchten. Gods liefde is niet afhankelijk van ons succes, maar hij omarmt ons. En niets kan ons daarvan scheiden. Want God lijdt met de mensen mee, en Jezus is onze pleitbezorger omdat hij het lijden zo ontzettend goed kent. In die rust en in die ontspanning mag eenieder zijn gevecht neerleggen.

Persoonlijk ben ik niet geïnteresseerd in de vraag of we na de dood nog iets aangenaams zouden kunnen verwachten. Wat ik wel graag zou willen is dat ik het leven, – mijn leven -, te zijner tijd terug uit handen kan geven. Niet zomaar, maar wel specifiek aan God. Aan God die mij het leven gaf, zou ik graag wat mij geschonken is in alle dankbaarheid willen teruggeven. Niet omdat het zo fantastisch was, of succesvol, of gelovig, maar wel omdat God zelf het gewild en behoed heeft. En in het gegroeide besef dat dat zo geweest is al die tijd van mijn leven. Wat ik in Paulus’ woorden ontroerend vind is dat de vrijspraak van God aan alle oordeel voorafgaat. Ik heb het gevoel dat het betekent, dat je mag weten dat ook jouw bestaan hoe dan ook omvat is in de liefde van God. Ik persoonlijk realiseer me dat ik een heel lux en comfortabel leven heb. Om te beginnen al als je dat vergelijkt met het leven wat mijn ouders en grootouders hadden. En vervolgens stemt de vergelijking met het leven dat mensen in andere delen van de wereld vandaag de dag lijden, me nog veel bescheidener. Ik hoop dat dit – mijn – leven, dat op de keper beschouwd in de luwte van het grote lijden van de mensheid geleefd is, uiteindelijk als oprecht genoeg gezien mag worden.