Goede herder

Tijdens de coronacrisis komt de vraag naar leven en dood op scherp te staan. Er wordt dan met een misschien wel wat cynische nieuwsgierigheid of een kritische verwachting naar de kerken gekeken. Het evangelie pretendeert immers nogal wat. We beleven in dit zonnige maar door de pandemie donker overschaduwde voorjaar als altijd weer het Paasfeest, Hemelvaart en Pinksteren. Wat mag dat allemaal betekenen? Hoe kun je dan de dreiging van ziekte en dood, waar we nu rechtstreeks mee geconfronteerd worden, begrijpen? En wat zal dat betekenen voor ons als gewone gelovigen? Met Pasen beleefden we dat de betekenis van de dood terzijde geschoven is. ‘Dood, waar is je overwinning? Dood, waar is je angel?’ zegt Paulus daarover in zijn brief 1 Korintiërs 15:55.

Aan de ene kant weten we dat de angst voor doodgaan ons niet meer kan beheersen. Aan de andere kant maken we ons boos over mensen die roekeloos te werk gaan en niet alleen zichzelf, maar ook anderen in gevaar brengen. Het is niet denkbeeldig dat een dergelijke doodsverachting tot grote ongelukken leidt. Zo was er op 14 april j.l. het volgende ANP-persbericht:

“Bisschop Gerald Glenn van de New Deliverance Evangelistic Church in de stad Richmond (VS) stond op 22 maart nog in een bomvolle kerk ondanks waarschuwingen om grote bijeenkomsten te vermijden. Bij die gelegenheid drukte hij de gemeenschap op het hart dat God groter was dan het virus en dat hij ‘trots’ was om controversieel te zijn door tegen de veiligheidsvoorschriften in te gaan. Begin deze maand verspreidde de dochter van de bisschop een video waarin zij bekendmaakte dat haar vader besmet was geraakt. Bisschop Glenn overleed uiteindelijk op eerste paasdag.”

Zo maak je van geloof een ziekelijk bijgeloof.

Het probleem met dit soort heroïek is dat het ten diepste het ego van de gelovige zelf centraal stelt, en dat men zich niet afvraagt wie er beter of slechter van je handelen wordt. In vroegere tijden lag dit dilemma er ook al. In de tijd van de reformatie kwam in Europa regelmatig de pest voor. Voor theologen van die tijd was het een bekende epidemische dodelijke ziekte. Zo ook voor Martin Luther. Hij schreef in een brief aan Johannes Hess over het thema ”Ob man vom Sterben fliehen möge“ (1527, Weimarer Ausgabe Bd. 23, 365-366). Dat is vertaald: ‘Of men van het sterven mag wegvluchten’. We lezen in die brief van Luther:

”Mijd personen en plaatsen waar je naaste je niet nodig heeft. En gedraag je als iemand die graag een grote stadsbrand wil helpen blussen. Want wat is de pest anders dan een vuur, dat geen hout en stro, maar lichaam en leven opvreet. Ik zal God bidden dat hij ons genadig wil bewaren en beschermen. Dan wil ik ook helpen met het uitroken, de lucht in huis verversen, medicijnen geven en nemen, én plaats en persoon mijden waar men mij niet nodig heeft, opdat ik mijzelf niet zal verwaarlozen en bovendien ook anderen zou aansteken en besmetten, en dat ik zó door mijn nalatigheid de oorzaak van andermans dood zou zijn.

Wil God mij echter wegnemen, dan zal Hij mij wel weten te vinden. In dat geval heb ik toch gedaan wat Hij wilde dat ik zou doen, en ben ik niet schuldig aan mijn eigen dood of aan de dood van andere mensen. Waar echter mijn naaste mij nodig heeft, wil ik geen plaats of persoon mijden, maar onbezorgd gaan en helpen zo goed ik kan, zoals al eerder is gezegd. Kijk, dat is een echt godvrezend geloof, dat niet roekeloos of vermetel is, en God ook niet verzoekt.”

Dat klinkt heel wat geloviger. In Martin Luther herken je de goede herder. Iemand die zorgdraagt voor hen die aan hem zijn toevertrouwd; die het lot van anderen belangrijker vindt dan dat van zichzelf, maar die ook niet vervalt in belangrijk-doenerij. Het is overigens de vraag of we het hem zo letterlijk zouden nazeggen, maar naar de geest van zijn brief kan ik Luther helemaal volgen.

Juist in de tijd waarin we Pasen, Hemelvaart en Pinksteren vieren komen deze vragen in een bijzonder licht te staan. Wat bedoelen we bijvoorbeeld als we zeggen dat Jezus is opgestaan en is opgenomen in de hemel? Er zijn veel dingen waarvan we kunnen zeggen, dat het daar het níet om gaat. De hemel is niet zoiets als een utopie. Het is geen ideeënrijk achter de werkelijkheid. Daar­voor is de hemel te veel met de aarde verbonden. Om het tastend te zeggen: de hemel is de plaats van God, en daarom de plaats van de ware humaniteit en van de principiële betrokkenheid met mensen die lijden. In de hemel is echte doorleefde geschiedenis van mensen. Niet zomaar, maar in de hemel is de geleefde geschie­de­nis van mensen die door God geheiligd is. Daar gaat een appèl van uit. Met hemelvaart gedenken we dat het niet zomaar Iemand is die in de hemel is opgenomen, want Jézus is daarin opgenomen. Hij is voorgegaan door de profeet Elia, en door Mozes. In de hemel zijn de getekende gezichten te zien van heel concrete mensen. Of nee, die gezichten zijn toch weer niet ‘te zien’, want ze zijn aan onze blikken onttrokken. We mogen ons van hen die ons als levenden aan­spre­ken immers geen starre beelden maken. Want we kunnen geen grip krijgen op deze personen om ze vervolgens ´een plaatsje´ te kunnen geven om ze naast ons af te leggen.

Met zijn getekende gezicht, zijn gehavende lichaam en zijn con­crete ge­schie­de­nis, spreekt Jezus óns aan. Jezus is geworden: Hij die in de hemel is, bij God. Zijn geschiedenis van vlees en bloed, van brood en wijn, van geven en delen, is opgeno­men in het verhaal van God met zijn mensen. Hij heeft recht van spre­ken. Vanuit de hemel klinkt Gods uitnodiging om Hem met ons eigen leven te antwoorden. Zo zullen ook zij die slachtoffer zijn van de coronacrisis, en de helden van o.a. de ziekenhuizen die hun inzet met hun leven bekopen, daar een plaats hebben. Dat wil zeggen: op grond van hun leven en hun niet-gezochte lijden kunnen mensen beelddrager van God zijn waarvan we de reflectie in de hemel kunnen zien.

Opgenomen in de hemel, belooft Jezus ons de heilige Geest. Die heilige Geest die mensen altijd weer kan meenemen in het bijzondere verhaal van God die de mensen leert om van zichzelf af te zien door een werkelijk goede herder te worden. Daarom kan het altijd weer Pinksteren worden.

  1. d Anne kooi